|
|
|
Nadat de VOC was
opgeheven, kwamen al haar bezittingen in de Indische Archipel
aan de Staat. Het beheer kwam in handen van de Raad der
Aziatische Bezittingen. Voor de gang van zaken in Indië maakte
dat voorlopig nog weinig verschil. Het VOC-personeel bleef in
functie en opereerde zoals het gewoon was. De heersende elite in
Batavia was niet gebrand op verandering en afgevaardigden uit
Nederland bleken nog niet opgewassen tegen het oude VOC-machtsblok.
|
| |
1801
|
Mr. Johannes Siberg
(1740-1817) werd benoemd tot gouverneur-generaal.
|
| |
1802
|
Vrede van Amiëns met
Engeland. De Bataafse Republiek kreeg alle koloniën terug
behalve Ceylon en zond troepenversterkingen naar Indië.
|
| |
1803
|
Het Indisch bestuur
verloor zijn autonome status en werd ondergeschikt gemaakt aan
de Nederlandse regering. De oorlog met Engeland brak opnieuw uit.
Badruddin werd sultan van Palembang.
|
| |
1804

|
In de Minangkabau op
Sumatra vormden een aantal hadji's(pelgrims uit Mekka)
een orthodox islamitische groep (Padri-beweging) die
hervormingen nastreefde.
|
| |
1805
|
Pangeran Diponegoro
(1785-1855), de oudste zoon van de latere sultan Hamengkubuwono
III, kreeg religieuze visioenen over een toekomstige status als
koning van Java en redder van zijn volk.
|
| |
1806
|
De Bataafse Republiek
werd het koninkrijk Holland onder koning Lodewijk Napoleon
(1778-1846). Een Ministerie van Koloniën moest de Indische Zaken
gaan behartigen.
|
| |
1807
 
|
De koning wilde meer
greep krijgen op de koloniën en benoemde een krachtdadige
gouverneur-generaal in de persoon van generaal H.W. Daendels
(1762-1818), die over ruime volmachten kwam te beschikken om
misstanden aan te pakken en advies moest uitbrengen over de
opzet van een nieuw koloniaal stelsel. De Raad van Indië werd
gedegradeerd tot een adviesorgaan, alle macht kwam aan de
gouverneur-generaal. Daendels moest tevens een militaire
verdediging opbouwen tegen een eventuele Engelse aanval.
|
| |
1808
|
Bestuurlijk greep
Daendels fors in. Na een opstand in Bantam, verbande hij de
sultan naar Ambon, nam de soevereiniteit in het sultanaat over,
scheidde de Lampungs van Bantam af en voegde het oostelijk deel
van Bantam bij Batavia. In de vorstenlanden Surakarta en
Jogyakarta eiste hij de soevereiniteit op naar het verdrag van
1749. Susuhunan Pakubuwono IV van Surakarta leek zich hierbij
neer te leggen maar sultan Hamengkubuwono II van Jogyakarta
verzette zich. Regenten en locale hoofden (bupati's)
werden behandeld als ambtenaren in dienst van de Nederlandse
overheid. Met financiële hulp van Nederland formeerde
Mangkunegara II een legioen van 1150 militairen dat steun zou
verlenen bij een eventuele Engelse aanval. Batavia was een
stad in verval. Veel inwoners waren vanwege de chronische
malaria-epidemie (sinds 1733) naar het achterland verhuisd.
Daendels liet de grachten dempen en bouwde een nieuwe residentie
bij het landinwaarts gelegen Weltevreden. Hieromheen ontwikkelde
zich een nieuwe stad.
|
| |
1809
|
Op Java bracht de nieuw
aangelegde Grote Postweg (Jalan Raya Pos) de verbinding
tot stand tussen West- en Oost-Java. Een reis van Batavia naar
Surabaya duurde nu nog maar zeven dagen in plaats van vroeger
vier weken.
|
| |
1810
|
Sultan Hamengkubuwono
II verleende steun aan een anti-Nederlandse opstand geleid door
zijn zwager Raden Rangga. Daendels trok met zijn troepen op naar
Jogyakarta en dwong de sultan tot aftreden ten gunste van zijn
zoon. Raden Rangga werd gedood maar zijn zoon Sentot zou later
een leidende rol spelen in de Java Oorlog (1825-1830). Pangeran
Natakusuma en zijn zoon Natadiningrat werden gevangen gezet
wegens medeplichtigheid.
|
| |
1811
 
|
De vorstenlanden werden
in nieuwe verdragen gedwongen aanzienlijke gebieden af te staan.
De VOC had voor de kustgebieden steeds pacht betaald wat voor de
Javaanse vorstendommen een vaste bron van inkomsten had betekend.
Omdat deze gebieden nu onder de Nederlandse soevereiniteit
vielen, werden de betalingen afgeschaft. Uit India kwam een
Engelse invasievloot met 10.000 man troepen. Daendels' opvolger,
generaal J.W. Janssens (1762-1838), moest in september tegenover
de Engelsen capituleren. Java kwam onder bestuur van
luitenant-gouverneur Sir Thomas Stamford Raffles (1781-1826).Tijdens
de Engelse verovering van Java liet sultan Badaruddin in
Palembang het Nederlandse garnizoen uitmoorden.
|
| |
1812
 
|
Jogyakarta negeerde het
verdrag uit 1811 en kwam in opstand. Hamengkubuwono II nam zijn
troon weer over van zijn zoon. Ook tegenover de Engelsen stelde
de sultan zich vijandig op. In juni gaf Raffles opdracht tot een
aanval op Jogyakarta. De kraton werd geplunderd, de sultan
opnieuw afgezet en vervangen door zijn zoon Hamengkubuwono III.
De inmiddels vrijgekomen prins Natakusuma, die de Engelsen had
gesteund, kreeg een deel van het vorstendom als apenage en de
naam Pangeran Paku Alam. Vanwege zijn vijandige houding
verjoegen de Engelsen de sultan van Palembang van zijn hof en
stelden zijn broer Ahmad Najamuddin aan in zijn plaats.
|
| |
1813
|
Raffles voerde
bestuurshervormingen door, liberaliseerde de markt en voerde met
beperkt succes een landrentestelsel in. Dorpshoofden kregen land
in huur van de overheid en moesten van de opbrengst van de
daarop geteelde produkten 2/5 aan landrente betalen.
|
| |
1814
|
Een plan uit Surakarta
om samen met ontevreden Indiase soldaten een aanval te doen op
het Europese bestuur en op Jogyakarta werd voortijdig ontdekt.
De Indiërs werden bestraft, de leider verbannen, maar Pakubuwono
IV mocht blijven. Engelse militaire acties tegen de vorsten
van Buleleng en Karangasem moesten een einde maken aan de
slavenhandel op Bali. Buginese troepen uit Bone op Celebes
(Sulawesi) deden een aanval op de Engelsen.
|
| |
1815
   
|
Willem Frederik van
Oranje-Nassau (1772-1843) werd koning Willem I van Nederland en
België.In de Minangkabau wilden de Padri's een striktere
naleving van de islam afdwingen. De conflicten ontaardden in een
burgeroorlog en bijna de hele koninklijke familie werd vermoord.
De bevolking van Java bedroeg 4,5 miljoen.
|
| |
1816
|
Weer vielen troepen uit
Bone de Engelse stellingen aan op Celebes. Koning Willem I
benoemde baron G.A.G.Ph. van der Capellen (1778-1848) tot de
nieuwe gouverneur-generaal. Hij moest samen met de
commissarissen-generaal C.Th. Elout (1767-1841) en A. Buyskes
(1771-1838) het bestuur van de Engelsen overnemen en een nieuw
koloniaal bewind opzetten.
|
| |
1817
|
In Ambon kwamen
rebellen in opstand tegen de teruggekeerde Nederlanders. Onder
aanvoerderschap van Thomas Matulessy (?1783-1817), ook wel
Pattimura genoemd, werd op Saparua het Nederlandse fort
ingenomen. Met versterking vanuit Batavia werd het fort heroverd;
Matulessy werd geëxecuteerd. Professor C.G.C. Reinwardt
(1773-1854) werd benoemd tot directeur van Landbouw, Kunsten en
Wetenschappen op Java. Hij legde een botanische tuin aan in
Buitenzorg, "s'Lands Plantentuin' (Kebun Raya). Hij was
ook verantwoordelijk voor inenting van de inheemse bevolking
tegen pokken en voor de organisatie van de medische dienst.
|
| |
1818
|
Raffles bleef vanuit
Benkulen invloed uitoefenen in Palembang. Sultan Badaruddin nam
zijn troon terug, Najamuddin werd naar Batavia verbannen.
|
| |
1819
|
Raffles stichtte
Singapore dat hij wilde uitbouwen tot een belangrijke vrijhaven.
Een Nederlandse aanval op Palembang werd door sultan Badaruddin
afgeslagen. De Nederlanders keerden terug in Padang (Noord-Sumatra).
|
| |
|
Onvrede onder de
Javaanse bevolking leidde hier en daar tot rellen. Koning
Willem I benoemde een Natuurkundige Commissie die het leven in
de archipel moest gaan bestuderen.
|
| |
1821
  
|
Met een expeditieleger
van meer dan 4000 man wisten de Nederlanders Palembang te
veroveren. De sultan werd verbannen naar Ternate. De oudste zoon
van Najamuddin werd nu sultan, eveneens onder de naam Ahmad
Najamuddin. De resterende leden van het vorstenhuis van
Minangkabau vroegen de Nederlanders om steun bij hun strijd
tegen de Padri's. In ruil droegen zij de soevereiniteit aan
Nederland over. Met de eerste Nederlandse aanval begon de Padri
Oorlog (1821-1838). De rijstoogst mislukte en op Java heerste
cholera.
|
| |
1822
|
Hamengkubuwono IV
overleed en er deden geruchten de ronde als zou hij zijn
vergiftigd. Een uitbarsting van de Merapi werd gezien als een
slecht voorteken.
|
| |
1823
|
Gouverneur-generaal van
der Capellen schafte op Centraal-Java de verpachting van privé-land
aan Europeanen af (Landhuurstelsel). De Javaanse adel verloor
hiermee niet alleen een bron van inkomsten maar moest ook
vooruitbetaalde pacht restitueren en compensatie betalen aan
pachters die verbeteringen hadden aangebracht. De adel raakte
hierdoor in ernstige financiële problemen. Palembang kwam onder
Nederlands bestuur, de sultan kreeg een toelage. De
Nederlanders leden een gevoelige nederlaag tegen de Padris bij
Lintau.
|
| |
1824
  
|
Verdrag van Londen (Eerste
Sumatra-traktaat)met Engeland. De Nederlandse bezittingen in
Voor-Indië kwamen aan Engeland. De invloedssferen in de Indische
Archipel werden afgebakend: Engeland heerste in Malakka en op
Singapore, Nederland op Sumatra. Benkulen werd aan Nederland
overgedragen. De Engelse handel op Sumatra bleef vrij van
restricties en Atjeh bleef onafhankelijk. Bij een bezoek aan
Celebes drong Van der Capellen aan op hernieuwing van het
Verdrag van Bongaja uit 1667 maar de koningin van Bone weigerde.
Na het vertrek van de gouverneur-generaal veroverden Buginese
troepen uit Bone door Nederland bestuurde gebieden en werden
twee garnizoenen afgeslacht. In Nederland werd de
Nederlandsche Handel Maatschappij opgericht. De prijs van koffie
op de wereldmarkt daalde voortdurend.
|
| |
1825
 
|
Prins Diponegoro kwam
in opstand tegen de vernietiging van oude waarden en de
overheersing door de Nederlanders en kreeg het grootste deel van
de Javaanse adel en een aanzienlijk deel van de boerenbevolking
achter zich.(Java Oorlog 1825-1830). Surakarta hield zich
afzijdig en steunde het gouvernement, evenals de regenten in de
kustgebieden van Noord-Java. Een militaire actie tegen Bone
resulteerde in een Nederlandse overwinning.
|
| |
1826
|
L.P.J. Burggraaf Du Bus
de Gisignies (1780-1849) volgde Van Capellen op als
gouverneur-generaal. Zijn voornaamste opdracht was de staat van
de financiën te verbeteren.Diponegoro en zijn
onderbevelhebber Sentot gebruikten een guerilla-tactiek
waartegen het koloniale leger aanvankelijk weinig kon uitrichten.
Een deel van het leger was nog op Celebes vanwege de actie tegen
Bone. De kansen keerden pas toen hulptroepen uit Surakarta en
Madura en het legioen van Mangkunegara de gelederen hadden
versterkt. Met theezaden uit Japan trachtte het gouvernement
in de Preanger thee te verbouwen. Door het ontbreken van de
benodigde kennis was de theecultuur in de eerste jaren weinig
succesvol.
|
| |
1827
|
Het verbod op het
Landhuurstelsel (1823) werd ingetrokken. Daarmee was een van de
voornaamste oorzaken voor de klachten van de adel weggenomen.
Dankzij de militaire tactiek van luitenant-generaal H. M. de
Kock (1779-1845), het benteng-stelsel, waarbij kleine
eenheden opereerden vanuit versterkte posten, bereikten de
Nederlanders betere resultaten. Diponegoro werd meer en meer in
het nauw gedreven. Cholera, malaria en dysenterie maakten veel
slachtoffers aan beide kanten.
|
| |
1828
|
De oorlog verliep nu
duidelijk in het voordeel van de Nederlanders en hun bondgenoten.
Uit vrees voor Engelse aanspraken op Nieuw Guinea werd aan de
Tritonbaai Fort du Bus opgericht.
|
| |
1829
|
In september gaven
Diponegoro's oom Pangeran Mangkubumi en zijn legerleider Sentot
zich over.
|
| |
1830
|
Diponegoro werd
gevangen genomen en verbannen naar Menado en later naar Makassar
waar hij in 1855 stierf. In de oorlog waren 8000 Europeanen en
7000 Indische soldaten gesneuveld. Minstens 200.000 Javanen
waren omgekomen en de bevolking van Jogyakarta was gehalveerd.
Na het einde van de oorlog werden de grenzen van de
Vorstenlanden gecorrigeerd. Een aantal gebieden werd tegen
betaling door de Nederlanders overgenomen. Toen Pakubuwono VI
protesteerde tegen de gebiedsvermindering werd ook hij verbannen.
De Java Oorlog had de Nederlandse Staat veel geld gekost. De
Indische baten bedroegen ruim 31 miljoen minder dan de uitgaven.
|
| |
1831
  
|
Ter verbetering van de
Indische rendementen voerde de nieuwe gouverneur Johannes Graaf
van den Bosch (1780-1844) op Java het cultuurstelsel in. Hij had
daarbij de steun van J.C. Baud (1789-1859), directeur
Oost-Indische Bezittingen op het Ministerie van Koloniën. De
bevolking moest een deel van de dorpsgronden bebouwen met door
het gouvernement aan te wijzen gewassen (koffie, suiker,indigo,
tabak). Bij de koffie- en indigocultuur bewerkten de Javaanse
planters het produkt zelf maar de suikercultuur kwam in handen
van particuliere ondernemers via door het gouvernement afgegeven
'suikercontracten'. Ook de tabaks- en theecultures kenden
contractanten. De Nederlandsche Handel Maatschappij verkocht de
produkten en de opbrengst kwam aan de Nederlandse schatkist.
Onder een Europese bestuursdienst werd het oude feodale bestuur
hersteld. Onder leiding van de Javaanse adel, de Pamong
Pradja, bepaalden de dorpshoofden welke gronden bebouwd
werden en hoe de arbeid werd verdeeld. Daarvoor kregen zij een
percentage van de opbrengst. Door het stelsel nam de druk op de
bevolking toe, de hoeveelheid verplichte arbeid (herendiensten)
werd zo groot dat de boeren soms geen tijd meer hadden hun eigen
velden te bewerken. Ten aanzien van de buitengewesten (behalve
Sumatra) werd een onthoudingspolitiek gevolgd en trad het leger
uitsluitend op wanneer daar strategische belangen mee gediend
waren.
|
| |
1832
|
De Nederlanders zetten
de sultan van Jailolo af en namen Halmahera in bezit.
|
| |
1833
|
De Padri-oorlog
escaleerde, rebellen vermoordden legereenheden bij Bonjol.
Troepen van Sultan Muhammad Fakhruddin van Jambi waren bij hun
strijd tegen piraten Palembang binnengedrongen. Palembang keerde
zich nu tegen Jambi en de sultan vroeg de Nederlanders om hulp.
|
| |
1834
|
In ruil voor hulp moest
de sultan van Jambi de Nederlandse souvereiniteit erkennen.De
opbrengsten van het cultuurstelsel bedroegen bijna 6 miljoen
gulden. Deze baten zouden in de komende jaren oplopen tot 45
miljoen in 1857.
|
| |
1835
|
Vanwege het ongezonde
klimaat en de grote sterfte onder de daar aanwezige militairen
verlieten de Nederlanders fort Du Bus op Nieuw-Guinea.
|
| |
1836
|
D.J. de Eerens
(1781-1840) werd benoemd tot gouverneur-generaal.
|
| |
1837
|
Het leger veroverde
Bonjol op de Padri's.
|
| |
1838
|
Als voogd van
troonopvolger Sulaiman regeerde de capabele Tuanku Ibrahim in
Atjeh. Hij zou tot 1870 aan de macht blijven. Bone hernieuwde
het verdrag van Bongaja, de vijandelijkheden werden gestaakt.
Het leger behaalde de eindoverwinning op de Padri's bij Daludalu.
Hun voornaamste leider, Tuanku Imam Bonjol, werd verbannen naar
Menado waar hij in 1864 stierf.
|
| |
1839
|
Op Bali werd een
agentschap van de Nederlandsche Handel-Maatschappij gevestigd.
Op die manier trachtte het gouvernement betrekkingen aan te
knopen met de verschillende, onafhankelijke Balinese
vorstendommen. Het Indische leger werd uitgebreid en werd het
'Koninklijk Nederlandsch Oost-Indische Leger'.
|
| |
|
C.S.W. Graaf van
Hogendorp (1788-1856) nam het gouverneur-generaalschap tijdelijk
waar. Door de uitvoering van het cultuurstelsel was de waarde
van de totale uitvoer van Java naar Nederland gestegen van 11,3
miljoen gulden in 1830 naar 66,1 miljoen gulden.
|
| |
1841
|
Mr. P. Merkus
(1787-1844) werd de nieuwe gouverneur-generaal. De vorsten
van Badung, Klungkung, Karangasem en Buleleng op Bali erkenden
de Nederlandse soevereiniteit. Voor het binnenlands bestuur
bleef hun autonomie gehandhaafd.
|
| |
1842
 
|
Nederland breidde zijn
vestigingen op de oostkust van Sumatra uit tot aan de grenzen
van Atjeh. Kooplieden uit Singapore en Penang beklaagden zich
bij de Engelsen over Nederlandse handelstarieven die tegen de
afspraken in het Verdrag van Londen (1824) waren. Om de zaak
niet op de spits te drijven werden alle posten ten noorden van
Palembang opgeheven en de tarieven afgeschaft. In Jambi bleef
een garnizoen aanwezig ter verdediging van Palembang. Om
Indo-europeanen uit het bestuur te weren stelde J.C. Baud,
inmiddels minister van Koloniën, een opleiding aan de Academie
van Delft verplicht voor de vervulling van hogere Indische
bestuursfuncties. Daarop stuurde de Indische elite haar zonen
naar Delft zodat de hogere bestuursfuncties voor Indo-europeanen
toch toegankelijk bleven.
|
| |
1843
|
De vorst van Lombok
erkende de Nederlandse soevereiniteit. Hongersnood in
Cheribon. Mensen trokken uit de Preanger en Cheribon weg naar
gebieden waar het cultuurstelsel minder strikt werd
gecontroleerd. Locale regenten en bestuursambtenaren moesten
deze mensen zo mogelijk terugsturen.
|
| |
1844
|
Jhr. J.C. Reijnst
(1798-1871) nam, na het overlijden van Mr.P. Merkus, het
gouverneur-generaalschap waar. De vorsten van Buleleng en
Karangasem weigerden ratificatie van de verdragen. De
Engelsen ontwikkelden een maandelijkse postdienst via een
kortere verbinding door Middellandse- en Rode Zee en over de
landengte van Suez naar India en het Verre Oosten. Post uit
patria kon nu binnen acht à negen weken in Batavia zijn.
|
|
1845
|
J.J. Rochussen werd
benoemd tot gouverneur-generaal. Buleleng en Karangasem sloten
een alliantie ter verovering van andere Balinese staten. Iets
meer dan de helft van de Javaanse bevolking was nu ingeschakeld
bij het cultuurstelsel (Vorstenlanden en Batavia uitgezonderd).
Voor de gouvernementscultures was 6% van de Javaanse
cultuurgrond in gebruik.
|
|
1846
|
Nederlandse aanval op Buleleng en Karangasem. Dit soort
strafexpedities diende niet tot territoriumuitbreiding maar
moest de inheemse vorsten van de Nederlandse superioriteit
overtuigen. Na afloop van een dergelijke expeditie en erkenning
van de Nederlandse soevereiniteit, werden de troepen meestal
weer teruggetrokken.
|
|
1847
|
Militaire expeditie naar het eiland Nias op de westkust van
Sumatra.
|
|
1848
|
Opnieuw deden legertroepen een aanval op Bali. Vanwege
onverwacht grote tegenstand moesten ze terugtrekken. De overige
Balinese vorsten steunden Buleleng en Karangasem in een
militaire coalitie. In Batavia leidde dominee Wolter Robert
Baron van Hoëvell (1812-1879) een demonstratie voor persvrijheid,
openbaar onderwijs en vertegenwoordiging van Nederlands-Indië in
de Staten Generaal. Na een officiële berisping van de regering
moest hij Indië te verlaten.
|
|
1849
|
Bij een derde aanval op Bali werden Buleleng en Noord-Bali
onder controle gebracht. De vorst van Lombok nam Karangasem in
bezit. In een pamflet keerde Baron van Hoëvell zich tegen het
cultuurstelsel en de herendiensten.
|
|
|
Met de aankoop van de laatste Portugese vestigingen kwam
Flores onder Nederlands gezag. Het cultuurstelsel verstoorde
de balans tussen voedselproductie en commerciële productie.
Hongersnood op Centraal-Java was het gevolg. Missiegebieden
van katholieken en protestanten werden door de overheid streng
gescheiden gehouden. Protestantse zendelingen begonnen hun werk
onder de Bataks van Noord-Sumatra.
|
|
|
Mr. A.J. Duymaer van Twist (1809-1887) werd benoemd tot
gouverneur-generaal.Ter exploitatie van de tinmijnen op
Billiton werd de Billiton Maatschappij opgericht. In
Surakarta kwam de eerste kweekschool voor de opleiding van
inheemse onderwijzers voor de Javaanse scholen. Batavia kreeg de
eerste Dokter Djawa-school waar inheemse leerlingen opgeleid
werden om te kunnen worden ingeschakeld bij het
vaccinatieprograma van de overheid.
|
|
|
Een afgezant uit Atjeh bezocht de Franse keizer Napoleon III.
Nederland vreesde voor buitenlandse invloeden in Atjeh, dat
steeds machtiger en welvarender werd onder Tuanku Ibrahim die de
locale vorsten in de pepergebieden tegen elkaar uitspeelde.
Op Billiton ging de tinexploitatie van start.
|
|
|
Noord-Bali kwam onder Nederlands bestuur. De botanicus
Karl Justus Hasskarl kreeg opdracht van het gouvernement in Peru
kinaplanten te verzamelen. De kinateelt zou eind jaren tachtig
in de Preanger ontwikkeld worden door theeplanter K.A.R. Bosscha.
|
|
|
Nieuw Regeringsreglement voor Indië bij wet vastgesteld. De
liberale Baron van Hoëvell bracht in het parlement het debat op
gang over de afschaffing van het cultuurstelsel. Daarop besloot
de regering de uitbreiding van cultures stop te zetten, de
cultuurprocenten te verlagen en de herendiensten te beperken.
Terwijl de Nederlandse expansie op Noord-Sumatra was opgeschort,
breidde Atjeh zijn invloed uit in Langkat, Deli en Serdang op de
oostkust van Sumatra.
|
|
|
In Jogyakarta besteeg Hamengkubuwono VI de troon.
Nederland breidde zijn invloed uit op Borneo (Kalimantan), dat
meer economische waarde kreeg door de exploitatie van
kolenmijnen. Militaire expeditie naar het eiland Nias.
|
|
|
C.F. Pahud de Mortanges (1803-1873) werd benoemd tot
gouverneur-generaal. Eduard Douwes Dekker beschuldigde lokale
regenten (bupati's) op West-Java van corruptie en werd
ontslagen uit zijn gouvernementsbetrekking. Militaire
expeditie naar Flores. Door de invoering van het
Drukpersreglement kon in Indië een kritische pers tot stand
komen waarin bestuursmisbruik aan de kaak werden gesteld.
|
|
|
In Banjermasin (Borneo)greep het gouvernement in bij
conflicten over de troonsbestijging van sultan Tamjid Illah
hetgeen rebellie en uiteindelijk oorlog tot gevolg had. Met
Atjeh werd een verdrag gesloten van handel, vrede en vriendschap.
Er kwam een telegraafverbinding tussen Batavia en Buitenzorg.
|
|
|
Pakubuwono VIII werd susuhunan van Surakarta. Als antwoord op
de Atjeese expansie breidde Nederland zijn invloed op Sumatra
uit. De nieuwe sultan van Jambi, Ratu Taha Saifuddin, weigerde
een verdrag te tekenen en vluchtte het binnenland in met
medeneming van de regalia (pusaka). Zijn opvolgers
erkenden de Nederlandse soevereiniteit wèl maar de sultan bleef
met zijn aanhangers het gouvernement bevechten tot zijn dood in
1904. Het sultanaat Siak op Oost-Sumatra kwam onder Nederlandse
souvereiniteit, waarbij de grenzen van Siak zover noordelijk
werden opgerekt dat de peperhavens erbinnen vielen. Deze havens
behoorden tot het rechtsgebied van Atjeh en waren van belang
voor de Engelsen. Militaire expeditie tegen Bone dat zich
verzette tegen het Nederlands gezag.
|
|
|
De Portugezen hielden vast aan hun bezit van Oost-Timor. De
grenzen tussen Oost- en West-Timor werden vastgelegd.
Pangeran Antasari leidde het rebellenleger van Banjermasin. Na
hevige gevechten en het aanvoeren van versterkingen kreeg het
Nederlands-Indische leger de overhand. Tot ergernis van de
Engelsen en de Atjeeërs verhoogde het gouvernement de
douanerechten in Siak.
|
|
|
Banjermasin kwam rechtstreeks onder Nederlands bestuur, de
sultan werd verbannen naar Bogor. De Europese bevolking van
Indië nam snel toe door het groeiend aantal militairen in
koloniale dienst. Het Indische leger bestond nu uit 13.700
militairen op een totaal van ongeveer 42.800 Europeanen.Multatuli
(Eduard Douwes Dekker) publiceerde Max Havelaar, een boek
dat de uitwassen van het cultuurstelsel en met name de 'hoofdenkwestie'
tot onderwerp had. De dorpshoofden maakten misbruik van hun
positie om de bevolking uit te buiten en de Nederlandse
bestuursambtenaren verzuimden daar tegen op te treden.
|
|
|
Mr. L.A.J.W. Baron Sloet van de Beele (1806-1890) werd
benoemd tot gouverneur-generaal. In Surakarta kwam Pakubuwono IX
op de troon.
|
|
1862
|
Nederland probeerde de kleine vorstendommen in het
grensgebied tussen Atjeh en Siak (Deli, Asahan en Serdang)onder
Nederlands gezag te brengen. Alleen de sultan van Deli erkende
de Nederlandse souvereiniteit. Guerrilla-acties in
Banjermasin duurden voort. Op Java gaf het gouvernement de
theecultuur vrij. Daarmee begon de opkomst van de grote
theeondernemingen in de Preanger. Er kwam een einde aan de
verplichte pepercultuur.
|
|
|
Engeland stuurde kanonneerboten naar Langkat en andere
peperhavens op Sumatra.Er kwam officieel een einde aan de
slavernij in de koloniën. De Nederlandse regering gebruikte de
Indische baten om voormalige slavenhouders in Suriname
schadeloos te stellen. De liberale I.D. Fransen van de Putte
(1822-1902) werd minister van Koloniën en wilde het
cultuurstelsel afschaffen en Indië openen voor particulier
kapitaal. Op Noord-Sumatra werd tabak aangeplant. Er kwam een
eind aan de gedwongen kruidnagel- en muskaatnootcultuur.Militaire
expeditie naar Nias.
|
|
|
Nederland eiste de Mentawai eilanden, ten westen van Sumatra,
op. De laatste sultan van Siak trad af. Op Java werd een
proef gedaan met rubbercultuur. In april verscheen de eerste
postzegel van Nederlands-Indië.
|
|
|
Het sultanaat Asahan in Noord-Sumatra kwam onder Nederlands
bestuur, de sultan werd verbannen naar Riau.In Rotterdam werd
een zending van 189 balen Deli-tabak geveild. De tabak bleek van
uitstekende kwaliteit en leverde een zeer hoge prijs op. De
verplichte verbouwing van indigo en kaneel werd beëindigd.
Het gouvernement contracteerde de Nederlands-Indische
Stoomvaartmaatschappij (van origine Engels) om een netwerk van
pakketdiensten op te zetten dat de belangrijkste havens op Java
en Sumatra en in de buitengewesten met elkaar verbond.
|
|
|
Mr. P. Mijer (1812-1881) werd benoemd tot gouverneur-generaal.
Het eiland Sumba kwam onder Nederlands bestuur. De verplichte
aanplant van tabak hield op.
|
|
|
Oprichting van Nederlands-Indisch Ministerie van Onderwijs.
Aan het Willem III Gymnasium in Batavia kwam een speciale
opleiding voor Indische ambtenaren. Het opleidingsmonopolie van
de Delftse Academie werd opgeheven. Op Java werd de eerste
spoorweg aangelegd. Bij een uitbarsting van de Merapi vielen
1000 doden.
|
| |
1868
|
Het gouvernement haalde
de teugels aan in Benkulen.
|
|
|
De opening van het Suezkanaal - Verdi componeerde speciaal
voor deze gelegenheid de opera Aïda - en de ontwikkeling
van de stoomscheepvaart bekortte de reis van Europa naar Indië
tot vijf weken. De route naar Nederlands-Indië werd verlegd van
Straat Sunda naar Straat Malakka en liep nu langs de kust van
Atjeh, dat militair-strategisch belangrijker werd. Het
toegenomen scheepvaartverkeer maakte de vanouds gebruikelijke
piraterij aantrekkelijker voor zeerovers die vanuit Atjeh
opereerden. De tabaksdeskundige J. Nienhuys (1836-1927)
richtte met een aantal vennoten de Deli Maatschappij op.
|
|
|
De Minahassa kwam onder
Nederlands bestuur. In Atjeh kwam sultan Mahmud Syah aan de
macht. Het cultuurstelsel werd officieel afgeschaft. De
Agrarische wet en de Suikerwet zorgden voor een afbouw van de
koffie- en suikercultuur en verhuur van land aan particuliere
ondernemers. Daarmee kwam een eind aan het feodaal-agrarische
systeem waarin de Pamong Pradja een centrale economische
rol had gespeeld. Via het Suezkanaal ging de Stoomvaart
Maatschappij Nederland een regelmatige scheepvaartverbinding met
Nederland onderhouden. Op Bali werkte, in opdracht van het
Nederlandsch Bijbelgenootschap, de taalgeleerde H. Neubronner
van der Tuuk (*1824) aan een Balinees woordenboek. Eerder stelde
hij in de Bataklanden van Sumatra een Bataks woordenboek samen.
|
|
|
Engeland hield niet langer vast aan een onafhankelijk Atjeh.
In november sloten Nederland en Engeland het Verdrag van Sumatra
(Tweede Sumatra-traktaat) waarbij een uitruil van koloniën
plaatsvond en Nederland de vrije hand kreeg op Sumatra. Beide
landen kregen handelsrechten in Atjeh. Op Java kwam een
telegraafverbinding tot stand met Australië.Op Bali heerste
een pokkenepidemie die 18.000 slachtoffers eiste.
|
|
|
Mr. J. Loudon (1824-1900) benoemd tot gouverneur-generaal.
Ten noorden van de Minangkabau raakte het leger in oorlog met
primitieve Batakstammen. Er werd een begin gemaakt met de
aanleg van de haven van Tanjong Priok.
|
|
|
Atjeh trachtte de Verenigde Staten vergeefs te bewegen tot
een verdrag. Voor Nederland was dit reden te interveniëren ter
bescherming van haar belangen in de archipel. In maart werd de
hoofdstad Kotaradja gebombardeerd en was de Atjeh Oorlog
(1873-1903) een feit. In april werd een invasie van 3000 man
troepen door de Atjeeërs tot de terugtocht gedwongen, waarbij de
militaire bevelhebber sneuvelde. (Het Indische leger bestond uit
niet meer dan 28.500 officieren en manschappen, waarvan 47%
Europeaan was.) Sultan Mahmud Syah zocht vergeefs hulp bij
Turkije, Engeland, de Verenigde Staten en Frankrijk. In november
volgde een nieuwe invasie en kon het leger zijn positie
handhaven. Cholera en andere ziekten maakten veel slachtoffers
onder de strijdende partijen. Theeplanten uit China leverden
een teleurstellend resultaat op. Assam theeplanten uit India
moesten een betere opbrengst gaan geven. Oprichting van het
Nederlands Aardrijkskundig Genootschap dat expedities ging
uitvoeren in onbekende delen van de buitengewesten. Een spoorweg
die Semerang met Surakarta en Jogyakarta verbond kwam na lange
tijd gereed evenals een spoorweg tussen Batavia en Buitenzorg.
Beide projecten waren de vrucht van particulier initiatief.
|
|
|
Een grootscheepse bestuursreorganisatie paste in de tendens
naar centralisatie. Kern van dit systeem werd het kabinet van de
gouverneur-generaal, de Algemene Secretarie. De Raad van Indië
verloor aan invloed. Een tweede expeditie onder generaal J.
van Swieten (1807-1888) veroverde de kraton van Kotaradja waarop
de Atjeeërs zich terugtrokken in de heuvels. Nederland dacht dat
de oorlog hiermee was afgelopen, annexeerde Atjeh en schafte het
sultanaat af. Atjeh weigerde zich over te geven en ging over tot
een guerrilla-oorlog die vele jaren zou duren. Nadat sultan
Mahmud Syah aan cholera was gestorven, benoemden de Atjeeërs een
kleinzoon van Tuanki Ibrahim tot sultan Ibrahim Mansur Syah.
|
|
|
Mr. J.W. van Lansberge (1830-1905) werd benoemd tot
gouverneur-generaal. De Rotterdamsche Lloyd opende een
scheepvaartverbinding met Indië. Er kwam een spoorweg van
Surabaya naar Malang.
|
| |
1876
|
Opstand in Halmahera
onder Baba Hassan.
|
|
|
Hamengkubuwono VII besteeg de troon van Jogyakarta. Pieter
Brooshooft (1845-1921)werd hoofdredacteur van het Semarangse
dagblad De Locomotief.
|
|
|
Militaire expeditie onder generaal K. van der Heyden
(1826-1900) tegen Samalangan op Atjeh.Teuku Di Tiro (1836-1891),
een islamitische ulama, leidde de Atjeese guerilla.
|
| |
1879

|
In Japara werd Raden
Ajeng Kartini (1879-1904) geboren. Zij was de dochter van de
regent van Japara en zette zich in voor educatie van de Javaanse
bevolking en in het bijzonder voor de emancipatie van de vrouw.
|
|
|
Wetsherzieningen gaven
het Nederlands bestuur meer macht en maakten een einde aan de
feodale rechten en privileges van de adel. Inheemse
contractarbeiders, werkzaam op de plantages in de Vorstenlanden
en op Sumatra (Deli Maatschappij), werden door hun bazen
uitgebuit. Hun positie werd nog meer verzwakt door de 'Koelie
Ordonnantie' die planters het recht gaf koelies die zich niet
aan hun contract hielden te bestraffen. De Europese
bevolkingsgroep was toegenomen tot 56.600 personen.
|
| |
|
F. 's-Jacob (1822-1901)
werd benoemd tot gouverneur-generaal. In de Minahassa kwamen de
locale hoofden in dienst van het gouvernement.
|
|
|
Karangasem en Gianyar op Noord-Bali kwamen onder direct
Nederlands bestuur. Bali en Lombok vormden samen één
residentschap. Ook de Aru en Tanimbar eilanden kwamen onder
Nederlands bestuur. Militaire expeditie naar Ceram. Op
Borneo werd olie gevonden bij Kutai. In de grote steden op
Java begon de overheid met het aanleggen van gasverlichting,
electriciteit en telefoon. De persoonlijke diensten aan de
Pamong Pradja, de zogenaamde pantjendiensten, werden
afgeschaft.
|
|
|
Batakkoning Si Singamangaraja werd verbannen uit zijn
land. De Delische tabaksplanter A.J. Zijlker kreeg
toestemming van de sultan van Langkat om op Noord-Sumatra
olieproefboringen te doen. Op Java en Sumatra werd het
spoorwegnet uitgebreid. Bij een uitbarsting van de Krakatau
kwamen in Java en de Lampungs circa 36.000 mensen om.
|
|
|
O. van Rees (1823-1892) werd benoemd tot gouverneur-generaal.
Deli kwam onder Nederlands bestuur. De dalende suikerprijs
leidde tot een ernstige economische crisis. Suikerplanters
konden hun financiële verplichtingen niet nakomen en sleepten de
banken in hun ondergang mee.De oorlog in Atjeh verhevigde.
Het leger bouwde een geconcentreerde linie van 16 forten dicht
rond Kotaradja om de guerrilla's uit het binnenland tegen te
houden. Telegraaf-, telefoon- en postdiensten werden door het
gouvernement gebundeld in de PTT.
|
|
|
Madura kwam onder Nederlands bestuur. Op Sumatra vond het
eerste wetenschappelijke onderzoek naar de aanwezigheid van olie
plaats.
|
| |
1886
|
In Tjilatjap, Padang en
Belawan (Deli) werden havenprojecten opgestart.
|
|
|
De sultans van Madura fungeerden nog slechts als regent.
Door de economische crisis en de kosten van de oorlog kwam er
een einde aan de stroom Indische baten.
|
|
|
Mr. C.H. Pijnacker
Hordijk (1847-1908) werd gouverneur-generaal. Noord Borneo (Serawak)
werd een Brits protectoraat.De Nederlandse resident van
Surakarta nam het financieel beheer over van de Mangkunegara.
Uit Venezuela werden cacaoplanten geïmporteerd die, gekruist met
een andere variëteit, goed aansloegen waarna aanplant op grote
schaal mogelijk werd. De journalist Pieter Brooshooft stuurde
een open brief aan 12 vooraanstaande Nederlanders waarin hij
wees op de heilloze gevolgen van het liberale bestuur voor de
inheemse bevolking. Brooshooft maakte deel uit van een groep
idealisten die de 'ethische koers' volgde en de regering op haar
verantwoordelijkheid wees om in ruil voor alle rijkdommen uit
Indië het welzijn van de inheemse bevolking te bevorderen en te
zorgen voor goed onderwijs. Aardbeving op Bali.
|
|
|
De socialist Domela Nieuwenhuys (1846-1919) pleitte ervoor
aan Indië een bedrag van 850 miljoen gulden terug te geven.
Voorts stelde hij een beleid voor dat zo snel mogelijk tot
onafhankelijkheid zou leiden. Op Noord-Celebes werd goud
gevonden. Het gouvernement reageerde hierop met het instellen
van direct bestuur in Gorontalo en het sluiten van economische
verdragen met lokale vorsten.
|
|
|
A.J. Zijlker richtte de
Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Exploitatie van
Petroleumbronnen in Nederlands-Indië op (Koninklijke Olie, later
Shell). Militaire expeditie naar Flores ter bescherming van
een onderzoek naar tinwinning.
|
|
|
De eerste
contractarbeiders uit Java vertrokken naar Suriname. Na
beëindiging van de overeenkomst met de Engelse NISM ging de
nieuwopgerichte Koninklijke Pakketvaart Maatschappij (KPM)
passagiers en goederen vervoeren in de archipel. In samenwerking
met het gouvernement zette de KPM haar schepen tevens in voor
troepenvervoer.
|
| |
1892
|
Nederland vestigde zich
opnieuw in westelijk Nieuw-Guinea. De 'Koninklijke' kreeg
haar eerste olieput in bedrijf op de grens van Langkat en Atjeh.
|
|
|
Jhr. C.H.A. van der Wijck (1840-1914) werd benoemd tot
gouverneur-generaal. In Surakarta kwam Pakubuwono X op de troon.
De haven van Tanjong Priok werd operationeel.
|
|
|
Op Lombok rebelleerden
de Sasaks tegen hun Balinese vorst en riepen daarbij hulp in van
het gouvernement. In maart landde een expeditieleger op Lombok.
Tijdens onderhandelingen met de vorst van Lombok deden
dissidente Balinese edelllieden een verrassingsaanval op de
Nederlandse militairen die uitmondde in een slachting met 97
doden en 272 gewonden. Een vergeldingsactie van het leger bracht
op Lombok grote verwoestingen aan en kostte de Balinese adel het
leven. Bij de verovering van de kraton werd een grote schat aan
goud en zilver buitgemaakt en een aantal oude handschriften. De
Lombok-schat werd in 1975 grotendeels aan Indonesië teruggegeven.
Aan de oorlog met de Bataks op Noord-Sumatra kwam een einde.
Het gouvernement vestigde een opium-monopolie om de opiumhandel
te beheersen.
|
| |
1895
|
Portugees Timor werd
niet langer bestuurd vanuit Macao maar kreeg zijn eigen bestuur.
|
|
|
Koning Chulalongkorn
van Thailand bracht een bezoek aan Nederlands Indië. Het
korps mariniers deed een aanval op de guerrilla's in Atjeh.
|
|
|
Na het opdrogen van de oliebronnen in Langkat, vond de
Koninklijke rijke olievoorraden in Perlak (Atjeh). Hierdoor
kreeg de verdere bezetting van Atjeh hoge prioriteit. In Indië
waren nu 16 Nederlandse petroleummaatschappijen actief, acht op
Java, zeven op Sumatra en een op Borneo.
|
|
|
Generaal J.B. van Heutz (1851-1924) werd tot gouverneur van
Atjeh benoemd. Zijn adviseur C. Snouck Hurgronje (1857-1936)
ontwierp de 'Korte Verklaring', een verdrag waarin de inlandse
vorsten de Nederlandse soevereiniteit erkenden en beloofden alle
regels en bevelen van het gouvernement na te komen. Dit verdrag
kwam in de plaats van alle eerdere verdragen met inlandse
vorsten.
|
|
|
W. Rooseboom
(1843-1920) werd gouverneur-generaal. De liberale politicus C.T.
van Deventer (1857-1915) publiceerde in De Gids het
artikel 'Een Ereschuld', waarin hij pleitte voor teruggave van
de Indische baten in de vorm van ontwikkelingshulp. Dit artikel
werd het begin van de 'ethische politiek'.Generaal van Heutz
richtte twee detachementen op die uitgerust werden voor
contraguerrilla in Atjeh. De KPM kreeg het
scheepvaartmonopolie in de hele archipel.In Jombang op Oost-Java
werd een islamitische school gesticht.
|